Om stof gelijkmatig te rimpelen naai je twee evenwijdige rijen lange rechte steken van 4 tot 5 mm, zonder af te hechten, trek je de twee onderdraden samen aan zodat de stof gaat rimpelen, speld je hem met de kwartmarkeringen op elkaar op de kortere rand en verdeel je de plooitjes gelijkmatig daartussen. Stik de naad met de gerimpelde kant boven, tussen de twee rijen, zodat je kunt voorkomen dat een vouwtje wordt platgedrukt tot een plooi.
Hoeveel stof heb je nodig om te rimpelen?
De rimpelfactor bij het rimpelen is de lengte van de rand vóór het rimpelen gedeeld door de lengte erna. Die bepaalt hoe vol het resultaat eruitziet:
| Factor | Effect | Gebruikelijk voor |
|---|---|---|
| 1,3 tot 1,5 | Zachte, lichte volheid | Rokken van middelzwaar katoen of linnen, mouwkoppen |
| 1,8 tot 2 | Klassieke rimpelrok | Dirndl- en etagerokken, rokken van jurken |
| 2,5 tot 3 | Heel vol, ruchesachtig | Ruches in lichte stoffen, petticoats |
Lichte stoffen (voile, batist, viscose, double gauze) rimpelen prachtig bij hoge factoren; dikke stoffen (denim, canvas, wol) zien er boven 1,5 lomp uit. Bij de rimpelrok van Sewly kies je de factor van 1,3 tot 3, met 1,8 als standaard, en de fit-and-flare jurk heeft een gerimpelde rok van 1,3 tot 2,8. Wil je zelf een knipbreedte uitrekenen, dan doet de rimpelcalculator dat voor elke lengte en factor.
Kies een manier van rimpelen
- Twee rijen lange steken: de standaard, en die werkt op bijna elke stof. Hieronder stap voor stap beschreven.
- Zigzag over een koord: voor lange randen en dikke stoffen. Leg een stevig koord (haakkatoen, tandzijde, knoopsgatgaren) langs de naadtoeslag en zigzag eroverheen zonder het te raken. Trek aan het koord: dat breekt nooit.
- Elastiek: voor tunnels en manchetten. Dat is een andere techniek; zie een elastische tailleband naaien met een tunnel.
- Rimpelvoet of differentieeltransport van de lockmachine: snel als je ze hebt, maar na het naaien minder bij te stellen.
Stof rimpelen met twee rijen steken
- Stik eerst de verbindingsnaden. Stik en werk de zijnaden van een rok of de korte naden van een ruche af, zodat je een doorlopende ring rimpelt.
- Stel de machine in. Rechte steek, 4 tot 5 mm lang. Zet de bovendraadspanning eventueel één stap hoger; dan glijdt de onderdraad makkelijker. Gebruik stevig polyestergaren, het liefst ook als onderdraad.
- Naai de eerste rij. Naai bij een naadtoeslag van 1,5 cm op 1 cm van de ruwe rand, goede kant boven, zonder af te hechten, met draadeinden van 10 cm aan beide uiteinden.
- Naai de tweede rij op 2 cm van de rand, evenwijdig aan de eerste. De naad komt tussen de twee rijen te liggen, op 1,5 cm, waardoor de rimpels recht en rechtop blijven.
- Verdeel lange randen in stukken. Stop bij een rand langer dan ongeveer 1 m bij elke naad of om de 50 cm en begin daar nieuwe rijen. Kortere draden breken veel minder snel.
- Markeer de kwarten. Vouw de rand die je gaat rimpelen dubbel, en dan nog eens, en markeer de vouwen met spelden of kleine knipjes. Doe hetzelfde bij de rand waaraan hij vast komt: de tailleband, het lijfje of de laag erboven. Markeer bij lange randen achtsten.
- Speld de markeringen op elkaar. Speld het deel dat je rimpelt goede kant op goede kant op het platte deel, bij elke markering en bij de naden.
- Trek aan de onderdraden. Houd beide onderdraden van één stuk vast en schuif de stof erlangs, vanaf beide uiteinden naar het midden, tot het stuk past. Wikkel de draadeinden in een achtje om een speld om ze vast te zetten.
- Verdeel de rimpels. Verdeel de plooitjes gelijkmatig met je vingers of een speld, haaks op de rand. Speld om de 2 tot 3 cm.
- Stik de naad. Zet de steek terug op 2,5 mm en de draadspanning terug op normaal. Stik op 1,5 cm, gerimpelde kant boven, tussen de twee rijen. Stop om de paar centimeter met de naald omlaag en strijk de plooitjes voor de voet glad met een speld, zodat er geen omklappen.
- Haal de zichtbare rij weg. Trek de rij op 2 cm eruit, want die zou aan de goede kant te zien zijn. De rij binnen de naadtoeslag mag blijven.
- Afwerken en strijken. Werk de naadtoeslagen samen af met een zigzag of lockmachine. Strijk de naadtoeslag van de rimpels af, richting tailleband of lijfje, en strijk alleen de naadtoeslag met de punt van het strijkijzer: ongeveer 200 °C voor katoen en linnen, 150 °C voor viscose, 110 °C voor polyester. Strijk de rimpels zelf niet plat.
Tip: Stik je met het platte deel tegen de transporteur en de rimpels boven, dan zie je elk plooitje voordat het bij de naald komt.
Dikke stof en lange ruches rimpelen
Voor denim, ribfluweel, wol of een ruche van een paar meter lang gebruik je de koordmethode. Zigzag met een brede steek, ongeveer 4 mm breed en 3 mm lang, over het koord op 1 cm van de rand, wikkel één uiteinde van het koord om een speld en trek aan het andere uiteinde. Haal het koord weg nadat je de naad hebt gestikt. Verminder daarna de dikte: knip de gerimpelde naadtoeslag bij tot 6 mm en laat de andere breder, zodat de naad trapsgewijs afloopt in plaats van een ribbel te vormen.
Etages en ruches rimpelen
Bij een etagerok wordt elke laag gerimpeld op de onderkant van de laag erboven, dus herhaal je het hele proces voor elke naad. Werk van boven naar beneden: zet de tweede laag aan de eerste, dan de derde aan de tweede. Markeer op elke laag kwarten; de onderste lagen zijn langer en juist daar vallen ongelijke rimpels het meest op. Voor een ruche aan de zoom rimpel je in stukken tussen de zijnaden en speld je hem met de rimpels boven op de zoom; strijk daarna de naadtoeslag naar boven, richting rok, zodat de ruche vrij naar beneden hangt.
Met de hand rimpelen
Voor een klein stukje, zoals de bovenkant van een pofmouw aan een kinderjurk of een poppenrokje, is met de hand rimpelen snel en goed te controleren. Gebruik een dubbele draad met een knoop aan één uiteinde, naai een rijgsteek van 3 tot 5 mm langs de lijn en dan een tweede rij op 6 mm ervandaan. Trek beide draden tegelijk aan en wikkel ze om een speld, precies zoals bij rijen met de machine.
Veelgemaakte fouten en hoe je ze oplost
- De draad breekt tijdens het aantrekken. Het stuk is te lang of de draad te zwak. Naai de rijen opnieuw in kortere stukken met polyestergaren, of stap over op een koord.
- Rimpels op één plek opgehoopt. De kwartmarkeringen zijn overgeslagen. Haal de spelden eruit, markeer kwarten en achtsten op beide delen en verdeel opnieuw.
- Kleine plooitjes in de naad meegenomen. Plooitjes klapten om onder de voet. Torn dat stuk los, strijk de plooitjes glad en stik het langzaam opnieuw met de rimpels boven.
- Rimpelsteken zichtbaar aan de goede kant. De buitenste rij is blijven zitten, of de naad is buiten de rijen gestikt. Haal de zichtbare steken weg met een tornmesje.
- Een dikke taille. De factor is te hoog voor de stof. Knip de gerimpelde naadtoeslag nu trapsgewijs bij, en kies de volgende keer een lagere factor.
Rimpels geven een rimpelrok of een ruche die zachte, volle uitstraling, en dezelfde rijen steken gebruik je ook voor pofmouwen en etagejurken.