Om op draadrichting te knippen vouw je de stof met de zelfkanten op elkaar en leg je elk patroondeel zo neer dat de draadrichtingspijl precies evenwijdig aan de zelfkant loopt: meet vanaf beide uiteinden van de pijl tot de zelfkant en schuif het deel tot beide afstanden gelijk zijn. Leg vouwkanten precies tegen de vouw, verzwaar of speld alles vast en knip op de doorgetrokken lijn met lange, vloeiende halen.

De patroondelen in maat EU 38 / US 6, getekend door de constructie-engine van Sewly (naadtoeslag inbegrepen). A-lijn rok →

Wat is de draadrichting van een stof?

Een geweven stof bestaat uit twee draadsystemen. De draden in de lengte (de schering) lopen evenwijdig aan de zelfkant, de afgewerkte rand die niet rafelt. Ze zijn het sterkst en rekken het minst, en daarom volgt de draadrichting van de meeste delen deze draden. De draden in de breedte (de inslag) lopen van zelfkant tot zelfkant en geven iets meer mee. De schuine draad, onder 45 graden ten opzichte van beide, rekt het meest en valt soepel: slipdresses en biaisstroken worden er bewust op geknipt.

Tricot heeft ook een draadrichting. De ribbeltjes (rijen lusjes) lopen in de lengte, en de meeste rek zit meestal in de breedte, van zelfkant tot zelfkant. Knip tricot met de draadrichting langs de ribbeltjes, zodat die rek rondom het lichaam gaat.

Voor het knippen: de stof voorbereiden

  1. Was en droog de stof voor zoals je het kledingstuk gaat wassen. Zie stof voorwassen.
  2. Strijk hem glad, ook de vouw van de rol als die eruit gaat. Een vouw die er niet uit te strijken is, mag niet midden op een voorpand terechtkomen.
  3. Maak de knipranden recht. Bij katoen en linnen knip je in de zelfkant en scheur je de stof in de breedte door, of trek je een draad in de breedte uit en knip je langs het spoor dat hij achterlaat. Bij andere stoffen leg je een grote winkelhaak tegen de zelfkant.
  4. Zoek de goede kant. Prints zijn aan de goede kant helderder en scherper. Bij effen stoffen vergelijk je beide kanten bij daglicht, of je kiest er een en zet met krijt een teken op de verkeerde kant van elk deel.
  5. Maak een groot, vlak werkvlak vrij. Een tafel, een grote snijmat of een schone vloer. Stof die over de rand hangt, trekt de lagen scheef.

Hoe vouw je stof om te knippen?

  • In de lengte vouwen (de gebruikelijke manier). Zelfkant op zelfkant, goede kanten op elkaar, gevouwen over de lengte. Elk deel dat je door beide lagen knipt, krijg je als gespiegeld paar, en delen op de vouw leg je tegen de vouw.
  • Gedeeltelijk vouwen. Zijn de delen smal, vouw dan één zelfkant maar zo ver naar binnen als het breedste deel op de vouw nodig heeft en gebruik de enkele laag die overblijft voor andere delen. Controleer dat de vouw over de hele lengte even ver van de zelfkant ligt.
  • In de breedte vouwen. Vouw de ene knipkant naar de andere, over de breedte. Handig voor brede delen, maar bij stoffen met vleug of een print met één richting komt de bovenste laag ondersteboven te liggen: knip die dan enkellaags.
  • Enkellaags. Voor gladde stoffen (viscose, zijde, satijn), heel grote delen zoals een cirkelrok, en alles wat precies moet aansluiten. Knip één deel en draai het papier om voor het spiegelbeeld.

Hoe leg je patroondelen op draadrichting?

  1. Zoek het knipplan. Sewly-patronen hebben knipplannen voor stof van 110, 140 en 150 cm breed; commerciële patronen drukken ze af in de beschrijving. Zoek het plan voor jouw breedte en maat en omcirkel het.
  2. Leg eerst de grootste delen, te beginnen met die op de vouw, en pas de kleinere ertussen.
  3. Schuif vouwkanten tegen de vouw. Helemaal geen ruimte: elke millimeter ruimte wordt in het geknipte deel verdubbeld.
  4. Meet de draadrichting. Meet met een liniaal of centimeter vanaf de bovenkant van de pijl tot de zelfkant, dan vanaf de onderkant. Draai het deel tot beide maten gelijk zijn en zet dat uiteinde als eerste vast met spelden of gewichten.
  5. Zet het deel vast. Patroongewichten (blikjes, grote ringen, gladde stenen) werken snel en vervormen de stof niet. Speld je liever, zet de spelden dan binnen de kniplijn, haaks op de rand, ongeveer om de 15 cm.
  6. Controleer hoe vaak je knipt. ‘2× (een paar)’ door twee lagen geeft een linker- en een rechterdeel. ‘4× (paren)’ betekent dat je het deel twee keer op de gevouwen stof legt.
  7. Teken de rechthoeken. Tailleband, strikbanden en ruchebanen die het patroon als knipmaten geeft, teken je met een lange liniaal en krijt direct op de stof, in de draadrichting die het patroon aangeeft.

Vleug, prints met één richting, strepen en ruiten

Fluweel, ribfluweel, imitatiebont, geruwde stoffen en veel satijnen zien er anders uit afhankelijk van hoe het licht op het oppervlak valt: dat is de vleug. Prints met een boven- en onderkant (bomen, dieren, letters) gedragen zich net zo. In beide gevallen moeten alle delen dezelfde kant op wijzen. Zo'n knipplan ‘met vleug’ kost vaak meer stof; met de stofcalculator controleer je dat voordat je koopt.

Bij strepen en ruiten vouw je zo dat de strepen van de bovenste laag precies op die van de onderste liggen, met om de 10 cm een speld door beide lagen, en leg je inknippen die op elkaar moeten aansluiten op beide delen op dezelfde streep. Enkellaags knippen is vaak makkelijker en nauwkeuriger.

Hoe knip je netjes?

  • Schaar: knip met lange, volle halen terwijl het onderste blad op tafel blijft rusten. Til de stof niet op om te knippen.
  • Rolmes: op een zelfhelende snijmat, van je af rollend, langs een liniaal bij rechte randen. Een rolmes van 28 mm kan krappe bochten aan; een van 45 mm is geschikt voor het meeste kledingwerk.
  • Loop om de tafel heen in plaats van de stof te draaien, zeker als hij vastgespeld is.
  • Inknippen: knip ze als kleine driehoekjes naar buiten, of knip er recht langs en knip daarna 3 mm in de naadtoeslag in.
  • Laat het papier zitten tot je de tekens hebt overgenomen.

Veelgemaakte fouten en hoe je ze oplost

  • Delen scheef van draad geknipt. Het kledingstuk draait of hangt ongelijk. Knip opnieuw als je genoeg stof hebt; bij een rok kun je soms een zijnaad iets verleggen, maar dat blijft een compromis.
  • Twee linkermouwen. Een paar is enkellaags geknipt zonder het papier om te draaien. Knip een nieuwe mouw met het papier ondersteboven.
  • Stof verschoven tijdens het knippen. Gladde stof is op tafel gaan schuiven. Leg er zijdepapier of een oud katoenen laken onder en knip door beide heen, of gebruik meer gewichten en een rolmes.
  • Niet genoeg stof. Probeer het, voordat je opgeeft, met gedeeltelijk vouwen, leg delen kop-staart (bij stoffen zonder vleug), of knip belegdelen en zakbuidels uit een contrasterende stof.
  • Stof die van de tafel afhangt. Door zijn eigen gewicht trekt hij scheef. Vouw het overschot op en houd het op tafel terwijl je knipt.
  • Knippen met een botte schaar. Gerafelde randen en lagen die uit elkaar schuiven. Houd een schaar alleen voor stof en laat hem slijpen zodra hij de stof gaat vouwen in plaats van knippen.

Is alles geknipt, houd dan elk deel bij zijn papier tot de tekens op de stof staan. Die kleine gewoonte bespaart je een hoop giswerk achter de machine.