Definitie
De zelfkant is de stevig geweven, niet-rafelende rand aan beide lange kanten van een geweven stof, evenwijdig aan de lengtedraad.
De zelfkant ontstaat waar de inslagdraad aan de rand van het weefgetouw omkeert, en daardoor rafelt hij nooit. Hij is vaak iets dichter geweven dan de rest van de stof en kan gaatjes hebben van het spanraam uit de afwerking, gekleurde stipjes of de naam van de ontwerper. In Engelstalige patronen kom je hem tegen als selvage (Amerikaans-Engels) of selvedge (Brits-Engels); beide betekenen dezelfde rand.
Waarom de zelfkant ertoe doet bij het naaien:
- Hij is je referentie voor de draadrichting. Elke pijl voor de draadrichting leg je er evenwijdig aan.
- De stofbreedte meet je van zelfkant tot zelfkant. 110 cm (45 inch), 140 cm (55 inch) en 150 cm (60 inch) zijn de gangbare breedtes, en het stofverbruik hangt ervan af.
- Hij gedraagt zich anders. De zelfkant kan meer krimpen of rimpelen dan de rest van de stof, dus leg je patroondelen er net binnen in plaats van erop.
Er is één handige uitzondering: bij een rechte naad die je anders zou moeten afwerken, zoals de middenachternaad van een rokbaan voor een rimpelrok, kan een vlakke zelfkant dienen als nette, kant-en-klare rand die niet rafelt.
Ook tricot heeft randen, vaak verstijfd met lijm of geperforeerd; knip die eraf voor je de delen uitknipt. Voor tips over het neerleggen van patroondelen, zie stof knippen op draadrichting, en voor hoe de draadrichting de rek beïnvloedt, schuine draad.