De meeste pasvormproblemen zie je als plooien, en die plooien wijzen naar de oorzaak. Strakke trekplooien die naar een deel van het lichaam wijzen, betekenen dat het kledingstuk daar meer ruimte nodig heeft; losse plooien, stof die blijft hangen en randen die afstaan, betekenen dat er te veel is. Los het probleem op in het patroon en niet in het afgewerkte kledingstuk: voeg op die plek breedte of lengte toe of haal die weg, test de aanpassing in een proefmodel en knip pas daarna je stof.
Hoe lees je plooien?
| Wat je ziet | Wat het meestal betekent | Gebruikelijke oplossing |
|---|---|---|
| Strakke lijnen die naar de buste, heupen of billen wijzen | Te weinig ruimte op die plek | Daar breedte toevoegen, en vaak ook lengte |
| Horizontale plooien die doorhangen | Te veel lengte op die plek | Lengte wegvouwen |
| Een rand die van het lichaam afstaat | De rand is langer dan het lichaam eronder | Lengte uit die rand halen |
| Schuine lijnen die vanuit één punt lopen | De ruimte zit op de verkeerde plek | Een figuurnaad verplaatsen of een naad anders vormen |
| Zijnaden die naar voren of naar achteren trekken | Voor- en achterlengte zijn niet in balans | Het voor- of achterpand verlengen of inkorten |
Controleer de bewegingsruimte voordat je iets verandert. Vergelijk de afgewerkte borstomvang van het patroon met je eigen borstomvang: het verschil is de draagruimte. Ter vergelijking: dit zijn de hoeveelheden die Sewly bij de buste toevoegt voor elke pasvorm:
| Pasvorm | Geweven stof | Tricot |
|---|---|---|
| Nauwsluitend | 6 cm | −2 cm |
| Normaal | 10 cm | 5 cm |
| Ruim | 16 cm | 12 cm |
| Oversized | 28 cm | 24 cm |
Heeft een nauwsluitende top van geweven stof minder dan ongeveer 5 cm bewegingsruimte bij de buste, dan maakt geen enkele plooi-oplossing hem comfortabel: begin opnieuw met een grotere maat of met de juiste maten.
Een gapende halslijn of gapende armsgaten
Een halslijn die voor gaapt, is langer dan de borst eronder. Dat gebeurt vooral bij een grote buste of een holle bovenborst.
- Neem op het proefmodel het teveel bij de halslijn in als een kleine figuurnaad die naar het borstpunt wijst en speld die vast. Meet hoeveel je hebt ingenomen; meestal is dat 0,5 tot 1,5 cm.
- Teken op het patroon een lijn van de halslijn naar het borstpunt en verleng de middellijn van de borstfiguurnaad tot het borstpunt.
- Knip beide lijnen in tot het borstpunt en laat daar een klein scharniertje papier zitten. Sluit de wig bij de halslijn met de hoeveelheid die je hebt ingenomen; de borstfiguurnaad gaat verder open.
- Teken de benen van de figuurnaad opnieuw, zodat de punt weer 2 tot 2,5 cm van het borstpunt eindigt, en trek de halslijn vloeiend bij.
Zo verplaats je de extra lengte naar de borstfiguurnaad in plaats van haar weg te halen, en de zijnaad houdt zijn lengte. Een gapend armsgat voor los je op dezelfde manier op, door het teveel richting het borstpunt in te nemen. Gapen beide bij een grote buste, dan is een full bust adjustment (FBA), die over de buste breedte en lengte toevoegt, de echte oplossing.
Trekken over de buste, de rug en de heupen
- Trekplooien over de buste, knopen die spannen: te weinig breedte bij de buste. Maak een FBA, of neem een grotere maat bij de buste en loop bij de zijnaad over naar je taillemaat.
- Borstfiguurnaden die te hoog of te laag wijzen: de figuurnaad hoort 2 tot 2,5 cm van het borstpunt te eindigen. Teken hem hoger of lager, met dezelfde breedte bij de naad.
- Strak over de bovenrug als je naar voren reikt: voeg breedte toe bij het armsgat achter door het patroon van de schouder tot de zoom in te knippen en 1 cm te spreiden.
- Schuine lijnen van de heupen naar het midden: voeg op heuphoogte breedte toe aan de zijnaden en laat die naar de taille en de zoom toe weer naar nul lopen.
- Stof die achter boven de billen blijft hangen: dit is een holle rug. Vouw midden achter bij de taille een wig van 1 tot 2,5 cm weg, die naar de zijnaad toe naar nul loopt, en trek de lijn van midden achter weer recht. Zie holle-rugaanpassing.
Broeken: glimlachplooien, wiggen en de kruisronding
- Glimlachplooien voor in het kruis: te krap of te kort voor. Verleng de kruisuitloop van het voorpand met 0,5 tot 1 cm en teken de binnenbeennaad opnieuw.
- Stof die achter tussen de billen trekt: het achterkruis is te kort. Verleng de kruisuitloop van het achterpand met 1 tot 2 cm.
- Losse plooien onder de billen: te veel stof voor platte billen. Kort de kruisuitloop van het achterpand 0,5 tot 1 cm in en neem de binnenbeennaad achter boven aan het bovenbeen evenveel in, naar beneden toe aflopend.
- De tailleband zakt achter af: voeg midden achter bij de taille 1 tot 2 cm hoogte toe, die naar de zijnaad toe naar nul loopt.
Verkeerde lengtes: lijfje, mouwen, rokken en broeken
Pas de lengte aan op de verleng- en inkortlijn, nooit alleen bij de zoom, zodat figuurnaden, wijdte en de knie op de plek blijven waar je lichaam ze nodig heeft.
- Zoek de lijn op het patroon, of teken er een haaks op de draadrichting: tussen oksel en taille op een lijfje, tussen oksel en elleboog op een mouw, boven en onder de knie op een broek.
- Om te verlengen knip je langs de lijn, spreid je de delen zoveel als nodig, houd je de draadrichting recht en plak je er papier achter.
- Om in te korten vouw je een plooi weg die half zo diep is als de hoeveelheid: een plooi van 1 cm haalt er 2 cm af.
- Trek de zijnaden vloeiend bij over de aanpassing heen en doe dezelfde aanpassing op elk deel dat eraan vastzit.
Schouders en mouwen
- Schoudernaden die voorbij het schouderbot hangen: kort de schouderlijn aan de kant van het armsgat 1 cm of meer in en teken het armsgat daarna weer in zijn oorspronkelijke vorm.
- Mouwen die strak zitten om de bovenarm: knip de mouw in het midden door, spreid hem 1 tot 2 cm en teken de mouwkop opnieuw.
- Schuine plooien over de mouw: de mouw hangt gedraaid. Verplaats de schouderinknip op de mouwkop 0,5 tot 1 cm naar voren of naar achteren.
Een pasroutine die werkt
- Naai een proefmodel van een stof die op je uiteindelijke stof lijkt.
- Teken er midden voor, midden achter, de borstlijn, de taillelijn en de heuplijn op.
- Pas het met de goede kant buiten, met de opening op de naadlijn dichtgespeld, en draag het ondergoed en de schoenen die je er straks bij draagt.
- Werk van boven naar beneden: eerst de schouders, dan buste, taille, heupen en lengte. Als je de schouders corrigeert, verdwijnen plooien lager vaak vanzelf.
- Speld weg wat te los zit; knip in en spreid waar het trekt. Meet elke aanpassing.
- Neem de aanpassingen over op het patroon, maak de naden weer gelijk zodat delen die op elkaar genaaid worden even lang zijn, en trek rondingen vloeiend bij.
- Naai een tweede proefmodel als je ergens meer dan ongeveer 2 cm hebt veranderd.
Uitgaan van je eigen maten
Standaardmaten gaan uit van één set verhoudingen, en daarom bestaan er zoveel van deze aanpassingen. Een patroon dat op je eigen maten is getekend, voorkomt er veel al voordat je knipt. Sewly tekent op basis van onder meer je schouderbreedte, ruglengte, borsthoogte en borstpuntafstand, bovenarmomvang en kruishoogte, zodat smalle schouders of een lange rug gewoon een maat worden die je aanpast (zie je lichaamsmaten opnemen), en het patroon wordt meteen opnieuw getekend. Houdingsaanpassingen zoals een holle rug, en hoeveel bewegingsruimte jij prettig vindt, stem je nog steeds zelf af op het proefmodel. Meer over deze aanpak lees je bij naaipatronen op maat.