Definitie
Een paspel is een smal, rond biesje van koord in een schuine strook, dat je in een naad meestikt zodat er een fijn verhoogd lijntje langs de rand zichtbaar is.
Een paspel zet een naad in de verf met een contrasterend of bijpassend lijntje. Je ziet het op kussens, tasranden, passen, zakken, kragen en princessenaden, en in de meubelstoffering, waar Engelstalige bronnen het welting noemen.
Om een paspel te maken, vouw je een strook op de schuine draad rond een vulkoord, verkrijgbaar van ongeveer 2 tot 10 mm (1/16 tot 3/8 inch) dik, en stik je vlak langs het koord met een ritsvoet of paspelvoet. De breedte van de strook is de omtrek van het koord plus twee naadtoeslagen: voor een koord van 3 mm en naadtoeslagen van 1,5 cm (5/8 inch) knip je ongeveer 4 cm (1 1/2 inch). Een platte paspel, zonder koord, is een dubbelgevouwen schuine strook die je op dezelfde manier inzet.
Zo zet je hem in:
- Rijg de paspel op de goede kant van één deel, met het stiksel op de stiklijn en de onafgewerkte randen gelijk.
- Knip de naadtoeslag van de paspel in bij rondingen en hoeken, zodat hij kan buigen.
- Leg het tweede deel erop, goede kanten op elkaar, draai het werk zodat je de rijglijn ziet, en stik er net binnen, dichter bij het koord, zodat het eerste stiksel verborgen blijft.
Waar de uiteinden elkaar ontmoeten, laat je ze overlappen en buig je ze af de naadtoeslag in, of je opent de strook en zet de uiteinden aan elkaar. Was het koord vooraf als het item later gewassen wordt.
Een kussenhoes is een mooi eerste project met paspel. Vergelijk met biaisband.